Beeld: Na een storm moet een aanlegsteiger hersteld worden.
Grondtoon: De behoefte hechte verbindingen tussen het uitgestrekte Onbewuste en het egobewustzijn te onderhouden. (…)
[Dit stadium] geeft ons een levendige gewaarwording dat hetgeen de mens ooit bouwt om zich ver te kunnen wagen van zijn solide geïndividualiseerde en bewuste basis, mogelijk beschadigd kan worden door vooralsnog onbekende kosmische krachten. De
tere verbinding tussen de twee gebieden behoeft voortdurend onderhoud.
Dane Rudhyar, Astrologische Mandala (1973): p.224
Eigen noot: tekst over de fase of graad waarin mijn geboortezon zich bevindt
Ik had ervaren dat de krachten die de grens naar het onderbewuste bewaken gevaarlijk zijn, en dat het riskant was mij ermee in te laten. Mijn bekwaamheid om met deze krachten om te gaan zou groeien
vanuit het inzicht dat de ‘angst’ die opgewekt werd, bedoeld was mij ervan te weerhouden die drempel juist te overschrijden. Door niet bang te zijn voor deze astrale, kosmische krachten – door moed te
hebben en te tonen – zouden deze gevaren wijken. Soms weken deze tegenwerkende krachten plotseling na een doorbraak.
Zo komt er op het moment dat ik mij in Syrië bevind, in de zomer van 1986, een einde aan een jarenlange reeks van astrale gebeurtenissen. Ik werk daar als archeoloog mee aan de opgraving van een zesduizend jaar oud stadje, verborgen in een tell [heuvel, Red.] , gelegen aan de rivier de Khabur (een zijrivier van de Eufraat) in het noordoosten van Syrië. Dit gebied in het zuiden van de Levant is van groot belang geweest voor de Neolithische (r)evolutie. De Khabur is tevens de rivier waar de Bijbelse profeet Ezechiël voor het eerst geroepen werd toen hij zich bevond onder zijn in ballingschap gedreven lotgenoten. Zo staat in Ezechiël 1, 1-3 te lezen, “Tijdens mijn verblijf bij de [joodse] ballingen aan de rivier de Khebar, op de vijfde dag van de vierde maand van het dertigste jaar, zag ik de hemel opengaan en kreeg ik een groots visioen.”
Op dit visioen komen we in Hoofdstuk 17, Stargate: Het Kristal in de Schedel, terug.

Onze Neolithische opgravingsite is hemelsbreed niet ver verwijderd van een andere tell in het huidige Turkije, Göbekli Tepe. Daar zal negen jaar later begonnen worden aan de opgraving van een
Laat Paleolithische site, die meer dan twaalfduizend jaar (!) oud zal blijken te zijn. Deze kunstmatige heuvel, dichtbij het Taurusgebergte (waar de Eufraat en de Tigris ontspringen), zal aanwijzingen blijken te bevatten over mysterieuze beschavingsbrengers. Maar ook daarover later meer.
Een Hardhandige Aarding
De doorbraak vindt plaats op onze wekelijkse vrije dag. We rijden die dag van Tell Raqai, onze opgravingsite aan de Khabur, naar de ruïnes van Dura Europos aan de Eufraat. Deze Hellenistische stad werd gesticht door de Seleuciden en ligt op een moeilijk bereikbare, desolate plek, met prachtig uitzicht op de breed stromende rivier. Het is die dag zo heet dat we een theedoek om het stuur hebben gewikkeld om de handen niet te verbranden. Verder blijkt die dag ongelukkigerwijs de benzine op de bon te zijn. Op de terugweg van Dura Europos naar onze opgravingstell, stranden we zonder benzine voor een witgekalkt huis waar enkele Saoedi’s op de grond zitten te eten. Het blijken adviseurs van het Syrische leger te zijn. Ze bieden ons direct aan benzine te halen en hun gastvrijheid zorgt ervoor dat we pas tegen de avond huiswaarts keren.
Een deel van de tocht zit een vriendin van me aan het stuur en zij is net als wij allemaal vermoeid. Een angstig voorgevoel doet mijn buik samenknijpen en het lukt me niet om de slaap te vatten.
Dan gaat het mis. Een vrachtwagen verlicht als een kerstboom koerst op ons af en gooit zijn groot licht aan. De lichtstralen verblinden ons en het busje schiet met ruim honderd kilometer per
uur van de weg af het zand in. We gaan de weg weer op, de weg weer af. De auto is onbestuurbaar geworden. Dan rijden we met volle snelheid op een gebouw af, ik kan mijn voeten nog van het
dashboard trekken, en het flitst door me heen dat het allemaal voorbij is. Dan volgt er een luide knal, de autobus kantelt, en ik word dwars door de voorruit geslingerd. Op enkele meters voor de muur kom ik tot stilstand en blijf daar liggen. Een fractie van een seconde later, stromen vanuit het niets mensen toe die tegen de verongelukte bus beginnen te duwen en hem met vereende krachten op z’n wielen terug weten te krijgen. Achteraf gezien zijn we voor een klein politiebureau van de weg geraakt, op het moment dat we de grens van een dorp passeerden. Toen we op het huis afreden schoten we rakelings tussen twee betonnen palen door waarna we een klapband kregen en kantelden. Op datzelfde moment passeerde een ambulance die onmiddellijk stopte. Binnen enkele seconden schoten ambulancepersoneel, dorpsbewoners en politieagenten ons te hulp. Als door een wonder was niemand ernstig gewond geraakt, op enkele diepe snijwonden na. Eén van de studentes die achterin het busje had gezeten troost ik, wat de kiem zal leggen voor een verhouding die tien jaar zal duren.
Pas later begon het besef tot mij door te dringen dat door deze samenkomst van ‘toevalligheden’ er een plotseling einde was gekomen aan de stroom van astrale gebeurtenissen. Astrale gebeurtenissen die een uitvloeisel waren geweest van het feit dat ik na de uittreding in Egypte niet goed was teruggekeerd in mijn lichaam. De doodschrik had me weer met beide voeten op aarde –en in mijn lijf – teruggebracht.







