Slangdraak Deel IV – VUUR –

 

Vestig de blik van uw Ziel op de ster waarvan u een straal bent, de
fonkelende ster die schijnt in de lichtloze diepten van het eeuwig-zijn, de
grenzeloze velden van het onbekende.
H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte (1889): 1, 137

De Roep

De piramiden van Gizeh speelden in deze gebeurtenissen – die ik achteraf zie als een inwijding – een hoofdrol. Die zomer trek ik samen met een jeugdvriend als backpacker door Egypte. We bezoeken oases, ruïnes, graftombes, piramides en moskeeën.
We doen alles op eigen houtje. Zo besluiten we ook op eigen gelegenheid het plateau van Gizeh te bezoeken om zo de reisgezelschappen te ontlopen. We staan oog in oog met de Sfinx om vervolgens de Grote Piramide te bezoeken. Dit bouwwerk maakt een overdonderende indruk op mij. Na eerst de binnenzijde van de Grote Piramide onderzocht te hebben, waaronder de zogenaamde Koninginnekamer, de Grote Galerij en de Koningskamer, wagen we het erop (ondanks het verbod) de nabijgelegen Piramide van Menkaure aan de buitenzijde te beklimmen. Na een afmattende klimtocht in de hitte staan we moe maar voldaan op de 66 meter hoge top van de piramide, hoog boven de
woestijn. Terwijl we samen van het uitzicht genieten word ik geheel onverwachts overmand door een extatisch gevoel, alsof ik deel uitmaak van de reusachtige piramide en een grote hoeveelheid licht ontvang. De energiestroom lijkt zowel van beneden als van boven te komen en doet mijn vermoeidheid op slag verdwijnen. Het opmerkelijke was, dat we – volgens onze horloges – pas na anderhalf
uur weer begonnen aan de afdaling, terwijl het voor mijn tijdsgevoel niet langer dan tien minuten tot een kwartier moet hebben geduurd.
Alsof de tijd voor mij veel sneller was gegaan. Op dat moment staat de Zon dan al laag aan de horizon.

Inwijding
(Verborgen Initiatieriten)

Dan gebeurt er een week later iets dat een reactie lijkt op deze ervaring. Het is een tegenovergestelde ervaring waarin ik als het ware
in een afgrond stort. Ik word ziek tijdens een zware voettocht nabij de Soedanese grens, na het drinken van vervuild water.
Gelukkig weet mijn vriend in dit dunbevolkte gebied een klein hotel te vinden. Ik voel heftige pijnscheuten in mijn ingewanden,
alsof ze eruit gescheurd worden, en verlies enkele keren mijn bewustzijn. De ziekte verzwakt mij zodanig dat ik niet meer op mijn benen kan staan. Ik verlies in korte tijd vijfentwintig kilo aan gewicht. Zwetend van de koorts en de hitte lig ik op bed, terwijl een oude ventilator de hete lucht in het hotelkamertje in beweging houdt, de illusie van koelte wekkend. Vijf keer per dag dringt het gezang van de muaddhin mijn koortsige brein binnen, dat weerklinkt vanaf de minaretten.

Met de dag voel ik mijzelf zwakker worden, en dat verontrust me, omdat ik, tegen mijn verwachting in, maar niet wil herstellen. Dan word ik me op een nacht bewust van het nachtgebed, de isha. Maar het gebed lijkt vreemd genoeg uit steeds meer kelen te komen, en aan te zwellen tot een byzantijns gezang. Het gezang wordt begeleid door een helder wit licht. Tenslotte bevind ik me niet meer in het bedompte kamertje, maar in een onmetelijke ruimte. Het is alsof ik in de hemel ben, omringd door engelenkoren. Naast een gevoel van uiterste verwondering begint nu ook de paniek toe te slaan. Het licht lijkt te leven en begint meer en meer naar mij toe te bewegen en om mij heen te wervelen, alsof het me wil vangen. Ik besef plotseling dat ik me in een grensgebied tussen leven en dood bevind. Maar ik wìl nog niet dood. Dus worstel ik me zwetend mijn bed uit zodat ik met een harde klap op de houtenplankenvloer terecht kom. De pijn van de val doet me in mijn vermagerde lichaam terugkeren. Ik krabbel moeizaam overeind om te kijken of ik op mijn benen kan staan. Terwijl ik duizelig en met een onbestemd gevoel van angst op de rand van mijn bed ga zitten, verklaar ik mijzelf voor ‘genezen’ en besluit ik de volgende dag het hotel te verlaten.

Die ochtend voel ik me – na een flesje cola achterover te hebben geslagen (!) – als door een wonder versterkt, en lukt het mij voor het eerst om zonder hulp een stukje te lopen. Mijn lichaam voelt duidelijk anders dan voor mijn ziekte. We reizen diezelfde dag nog af naar de Sinaï in de hoop dat ik daar snel zal herstellen. In de Sinaï krijgen we gastvrij onderdak aangeboden door een Palestijn, die woont in een klein huisje op het zandstrand van de Middellandse Zee.
Als ik daar, nog steeds sterk verzwakt, op een middag aan de praat raak met een groepje mannen uit Alexandrië, gebeurt er opnieuw iets opmerkelijks. Terwijl uit twee boxen muziek van Pink Floyd schalt, afkomstig van hun laatste album The Wall, voel ik hoe ik tijdens het nummer The Trial (terwijl het volk schreeuwt om het neerhalen van de psychische muur: “TEAR DOWN THE WALL”) uit mijn lijf
gezogen word. Ik stijg razendsnel op en ervaar dat ik al verder van mijn lichaam verwijderd raak. Ik zie mijzelf beneden al kleiner en
kleiner worden. Het gaat gepaard met een oorverdovend geluid, dat lijkt op het geraas van de oceaan. Een sterke kracht trekt mij naar
zich toe. Rondom mij voel ik de aanwezigheid van andere wezens, die ik echter niet kan zien, maar alleen kan horen. Terwijl ik onverminderd aangezogen wordt door iets dat lijkt op een magnetische kracht, besef ik ineens dat mijn levenskoord zo verzwakt is dat ik het gevaar loop geheel los te komen van mijn lichaam. Dat besef, of die gedachte (maar dan een gedachte buiten mijn brein om), is zo
alarmerend dat ik onmiddellijk in mijn lichaam terugkeer. Ik schiet als het ware de stof weer in.

‘Terug op aarde’ – terwijl het geluid nog in mij natrilt – weet ik dat de Alexandrijnen die rondom mij zitten daar niet toevallig zijn, maar
bestaan uit tegenstanders die ik ken uit een vroeger leven. In de beleving van dat moment zie ik deze mannen als incarnaties van tovenaars uit het oude Alexandrië van Ptolemeus; ik weet dat ik in die stad toen hoofdbewaker was van de Poort van de Maan (Seline).
Nu ik zo verzwakt ben trachten ze mij in hun invloedssfeer te trekken. Ze willen mij van mijn stoflichaam ontdoen – mij ‘doden’ –
om bezit te kunnen nemen van mijn Astrale Lichaam. Het was alsof k onvrijwillig deelnam aan een ritueel. Voor mij was dat toen geen
waanidee, maar de werkelijkheid. Dit macabere inzicht doet mij mijn vriend overhalen het gezelschap te verlaten. Door aan te geven dat ik plotseling onwel ben geworden. Maar daarmee is dit astrale gebeuren nog niet geheel teneinde.

Lotsbestemming

De dagen erna houd ik een dagboekje bij dat ik de titel “Verdwaald buiten de Tijd” heb gegeven. De near death experience (NDE) en de
outer body experience (OBE) hadden, ondanks hun schijnbaar korte duur, een ongekende impact op mijn leven. Ze hadden mij laten
ervaren dat er in het universum geen ‘tijd’ bestaat, maar dat het slechts een illusie is waaraan wij op Aarde zijn gebonden. Ik was in
een tijdcapsule terechtgekomen die me nog steeds gevangen hield. De magiërs wisten op een of andere wijze gebruik te maken van deze
tijdmachine. In het dagboekje vraag ik me in alle eerlijkheid af of ik ooit nog mijn normale tijdsgevoel zal terugkrijgen, omdat na de uittreding het leven aan mij voorbijtrekt als één langgerekte déjà vu. Alsof ik deze hele reis naar Egypte al eerder heb meegemaakt. Het ruisende geluid van de uittreding, als van de wind of een oceaan, blijft binnen in mijn hoofd aanwezig. Het lijkt doorweven met het doordringende getinkel van talloze kleine kristalletjes. Deze toestand duurt enkele dagen, totdat mijn ‘normale’ tijdruimte gevoel weer de overhand krijgt. Op dat moment ben ik nog vel over been. Mijn verzwakte en uitgeputte lichaam was ongewild een poort geweest naar andere dimensies. Maar het was allemaal begonnen bovenop de piramide van Gizeh. Achteraf bezien, had ik mij in Egypte begeven naar het onbekende gebied van de lotsbestemming.

Volgende week in Deel V:  Astrale Storingen

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *